De Hunnebergen

De geschiedenis van de Hunnebergen & Luyksgestel

Het agrarisch gebied De Pielis

In den beginne

De ontwikkeling van ‘De Pielis” is vooral op gang gekomen in de periode na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren voor de oorlog hadden de gebroeders Hoeks (Rein, Peer, Janus en Wim), Jan Jansen (Proost), Kees Jansen (van Jantjes), Jan van Lierop en Janus Slenders al stukken grond van baron De Broqueville ontgonnen. Op de Weebosch kon je de boeren in die tijd tegen elkaar horen zeggen:  “Ik ga werken bij den baron”.  Met andere woorden: “Ik ga vandaag werken op de ontginningsgronden van de baron”. In het ‘Ven’ woonde in een boerderij inmiddels de familie Cuypers.

 

Hij kwam, hij zag en hij overwon

Met de benoeming van burgemeester J. Linders, in het voorjaar van 1946, werd de ontginning van ‘De Pielis’ met grote voortvarendheid ter hand genomen. De vraag was alleen of enkele grootgrondbezitters bereid waren hun gronden voor het gestelde doel af te staan. Na een reeks onderhandelingen en voorstudies deed burgemeester Linders in 1949 daags voor Kerstmis aan de minister van landbouw het volgende voorstel. Hij wilde een aaneengesloten complex gronden, ter grootte van plm. 1000 ha. verwerven. Deze gronden waren eigendom van familie Graaf de Broqueville uit België (plm. 230 ha.), Baron Gilles de Pélichy uit Brugge (plm. 630 ha.), en J.J. Peels en Van den Dungen uit Waalre (plm. 140 ha.). Een onderzoek had uitgewezen dat van dit complex minstens 550 ha. prima landbouwgrond zou kunnen worden verkregen. Om de Belgische grondeigenaren te kunnen betalen in Belgische franken deed de burgemeester een verzoek aan de Nederlandsche Bank in Amsterdam om deviezen beschikbaar te stellen. De burgemeester haalde hierbij als argumentatie aan dat de plaatselijke Coöperatieve Zuivelfabriek ‘St. Bernardus’ de vaderlandse deviezenkas in 1949 spekte met niet minder dan Hfl. 3.800.000,--. Van dit soort argumentatie had de directie van de Nederlandsche Bank niet terug. Na heel wat heen-en-weer reizen naar het ministerie van financiën in ’s-Gravenhage, stelde de bank de deviezen beschikbaar en kon het gemeentebestuur van Bergeijk de gronden in 1950 aankopen. Aan de Koninklijke Nederlandse Heide Maatschappij werd opdracht verstrekt om de plannen voor de ontginning, de waterbeheersing, de verkaveling en de ontsluiting van het gebied op te stellen.

De burgemeester wilde zoveel mogelijk boeren helpen: “Ik heb liever 30 boeren, die misschien maar margarine op hun brood hebben, dan 10 boeren, die roomboter kunnen smeren”. Met pasoor Verbunt van de St. Gerardus parochie van de Weebosch en pastoor Van Roosmalen van de St. Martinusparochie uit Luyksgestel toog hij langs verschillende instanties om steun voor zijn opvattingen te krijgen.

Woeste gronden worden ontgonnen

Door de economische crisis in de jaren 1952-1953, als gevolg van de oorlog in Korea, werden de eerste ontginningen gedaan als werkgelegenheidsproject van de Dienst Uitvoering Werken (D.U.W.). Daardoor werd het eerste deel van de werkzaamheden vanaf september 1952 in handkracht uigevoerd. De economische opleving zorgde erv
oor dat in 1955 het laatste handjevol DUW-arbeiders de ontginning verlieten en het werk voortgezet werd met machines. Om de jonge ontginning vruchtbaar te maken werd 3,5 miljoen kg. compost en 1,5 kg. miljoen kg. kalk aangevoerd. De gehele ontginningswerken vroegen destijds een investering van 5,5 miljoen gulden. Het resultaat leverde een plan met 610 ha. Vruchtbare cultuurgrond op, waarvan 483 ha. werd verkaveld in boerderijen en 127 ha. werd gereserveerd voor uitgifte in losse pachtpercelen. Er werd 1 akkerbouwbedrijf gevormd van 60 ha. en 26 gemengde bedrijven van ten minste 15 ha. Zeven van deze bedrijven werden destijds in eigendom uitgegeven en de overige 19 gemengde bedrijven en het akkerbouwbedrijf werden uitgegeven in 50-jarige erfpacht.

Van de niet voor landbouwexploitatie in aanmerking komende bosgronden werd een gedeelte toebedeeld aan Bergeijk, een gedeelte werd verkocht aan de familie De Jong (o.a. eigenaren van de Douwe Egberts koffiebranderijen in Joure), mede onder de conditie, dat het voormalige jachthuis “Het Hooghuis” op de Saffraanberg zou worden herbouwd.

De blijde incomste

Eind 1959 verlieten twaalf bulldozers, samen goed voor duizend paardenkrachten, de Pielis. Het werk was geklaard. In banen van 12 meter breed werd de bovenlaag van de aardkost geschoven, waarna de ondergrond werd geëgaliseerd en tot 70 cm. diep werd losgescheurd. Naar schatting werd zo’n 600.00 kubieke meter zand verzet. Eind 1959 waren al 12 van de 27 geplande nieuwe boerderijen gebouwd. Sommige boeren, zoals de families Jansen, Slenders en Zengers, konden zelfs al drie jaar eerder hun boerderij betrekken.

 De kroon en de lauweren op het werk volgden in de lente van 1960. Op 21 april wapperden de Nederlandse driekleur en de provinciale vlag van Brabant triomfantelijk naast elkaar. Heel Bergeijk en Luyksgestel liepen uit met de koninklijke harmonie – toen nog fanfare – “Echo der Kempen” aan het hoofd. Nog één keer was de poort naar het nieuwe land de Pielis dichtgeplakt. Nu niet langer met de spreekwoordelijke kranten uit het gedicht van meester Van de Laar, maar met de kaart van de ontginningsplannen.

Voor de officiële openingshandeling was de minister van landbouw, Mr. V. Marijnen, uit Den Haag gekomen. Gezeten op de glanzende tractor van Theo Jansen reed de minister als eerste door de dichtgeplakte erepoort het nieuwe land van belofte in. Een lange stoet met ruiters en muzikanten, gevolgd door vele gasten, trok door een zee van groene velden naar de grote versierde feesttent. Deze feesttent stond opgesteld tegenover de boerderij van Piet en Marine Klein-Holkenborg aan de Kapelweg. In de feesttent werd door tal van genodigden lovende woorden uitgesproken over de nieuwe ontginning.

De 27 nieuwe boerderijen betekenden 14 nieuw-vestigingen met jonge boeren, 12 verplaatsingen vanuit de dorpskern en 1 blijver, namelijk de oudste boerderij, bewoond door de familie Cuypers. In 1967 werd nog een tweetal boerderijen gebouwd in verband met boerderijverplaatsing in het kader van de ruilverkaveling. De laatste boerderij werd begin jaren zeventig gebouwd door de fam. Dirx. Daarmee kwam het aantal boerderijen in de Pielis op 30 stuks.

Land van beloften

In 1959 was de ontgonnen grond schraal en droogtegevoelig. In de beginjaren werd de kalktoestand van de gronden op peil gebracht en werd de bodemvruchtbaarheid bevorderd door toevoeging van compost en verbouw van groenbemesters, De vruchtbaarheidstoestand van de grond kwam pas goed op peil toen begin jaren zeventig de veestapel groeide en door de aanvoer van dierlijke mest van elders. Bovendien gingen de boeren in de Pielis, vooral na het droge jaar 1976, over op beregening van hun akkers en weilanden.

De jonge generaties zullen misschien denken dat ‘de Pielis’ er altijd zo heeft uitgezien zoals we het landschap nu aantreffen. Hun (groot)ouders zullen hen met het nodige kunst- en vliegwerk proberen te overtuigen dat het betrekkelijk kort geleden nog zo heel anders was: een woestenij van heidevelden met stuifdennen zover het oog reikte.

Eén van de verharde wegen door ‘de Pielis’ is genoemd naar dé animator en stimulator van dit ontginningsproject: Burgemeester Linders. Hij was het die een belangrijke bestuurlijke verantwoordelijkheid op zich na om het project te doen slagen.

Karrespoor in de Pielis

Het moet in de jaren dertig van de 20ee eeuw zijn geweest, dat in de Pielis (toen nog heide) ter hoogte van de huidige kruising met de Burgemeester Lindersweg-Postelscheheideweg, brede banen met karrensporen liepen zo'n 40 a 50 naast elkaar.
Deze hadden een breedte vergelijkbaar met de afstand van zo’n 100 mtr) Er liepen zo handelswegen vanaf Turnhout (richting Antwerpen) die ook over Luyksgestel liepen. In het (natte) najaar en de wintertijd waren dikwijls veel landbouwwegen (andere waren er geen) na een paar karrenpassages onberijdbaar en moest men of een andere route volgen of naast de gangbare karrensporen maar weer een nieuw spoor zelf aanleggen, waardoor de breedte van de weg ooit onaanzienlijk werd.

Mie van de Kapel in niemandsland

Aan het einde van de huidige Kapelweg in de Pielis stond vroeger een nonnenklooster. De naam van deze weg duidt nog op de aanwezigheid van een kapel of klooster ter plaatse.
Op het aangelegen kerkhof waren destijds 6/7 nonnen begraven.
Mie van de Kapel was een prompt mens. Zij was getrouwd met Sjef en had een flinke, knappe dochter. Eind vijftiger jaren van de vorige eeuw was er ter plekke een samenkomst van afgevaardigden van de gemeentebesturen van Bergeijk en Luyksgestel en mensen van het ministerie. Het handelde toen om de ontginning van de Pielis en de vestiging van ontginningsboerderijen.

Mie kwam aangelopen met een paar versleten klompen aan en vroeg het hoge gezelschap wat de bedoeling was van hun komst naar dit verlaten gebied. Zij vertelden Mie, dat er straks boerderijen  op de hei zouden worden gebouwd. Mie geloofde het verhaal niet en zij: dat de boeren daar nooit  “dat zij spek”  zouden produceren wat zij Mien en Sjef van hun varkens op die grond produceerde. Om haar verhaal kracht bij te zetten, liep zij weg, naar binnen en haalde zij er een schitterend stuk gerookt spek en toonde dat buiten aan het gezelschap onder uitroepen: “As gullie hier wir is terugkomt, magde gullie jullie zo’n zij spek ook wel ‘ns meebrengen”.

Later kocht Sjef op een koopdag in Lommel-Kerkhoven een boerderij. Toen de notaris hem naar voren riep om zijn gegoedheid te tonen of zijn borg bekend te maken, haalde Sjef een pak geld uit zijn binnenzak en betaalde de notaris ter plaatse contant de boerderij.

Het gebied aan de kapel was een eldorado van rust. De varkens, koeien, schapen en geiten liepen er los over de hei en deden zich er te goed aan alles wat gratis was. Nutsvoorzieningen had men niet, dat kostte dus ook niets. Het lag op een strategisch punt voor de smokkel en ook zal Sjef nu en dan wel eens een strikske ter stropen hebben gezet.


Bron: www.dpls.nl & Jan van den Dungen